Scroll
Campagne Uit1978
Waarom deze campagne
We zwegen 't eenvoudig dood. Daardoor dachten veel mensen dat ons land niet of nauwelijks met dit probleem te kampen had. De harde cijfers leerden ons, dat dit een foutieve gedachte was. Anno 1978 werden er in Nederland duizenden kinderen door hun ouders mishandeld. Daarom besteedde SIRE, op verzoek van de Vereniging tegen Kindermishandeling, aandacht aan kindermishandeling in Nederland.
Achtergrond
Monsters, die ouders? Zeer zeker niet. Wel mensen die dringend hulp behoefden. Hulp bij het oplossen van problemen die ze zelf niet aankunnen. Want juist die problemen waren er negen van de tien keer de oorzaak van, dat binnen een gezin kindermishandeling ontstond. Kindermishandeling, dat heet onnatuurlijk gedrag te zijn. Zo dacht de gemiddelde Nederlander er over. En zo voelden de ouders het ook aan. Dat maakte het voor die ouders verschrikkelijk moeilijk om uit eigen beweging bij iemand om hulp aan te kloppen. Heel verklaarbaar en heel begrijpelijk. Maar tegelijkertijd ook heel jammer. Want het zou zonder meer een goede zaak zijn geweest, wanneer het probleem van kindermishandeling uit de taboe-sfeer gehaald kon worden. Kindermishandeling, dat is iets waar we wat aan konden doen. Door het te signaleren, door het bestaan ervan te onderkennen. Door er in alle redelijkheid over te praten. Met dit doel voor ogen wendde de Nederlandse Vereniging tegen Kindermishandeling zich tot SIRE. Het resultaat was: een indringende campagne die het probleem van kindermishandeling bespreekbaar maakte. En dat was hoog tijd.

SIRE | Kindermishandeling | 1978
Dagblad/tijdschriftadvertentie - Mitella
Algemeen Dagblad 17-06-1978
Resultaten
De campagne liet op diverse fronten aansprekende resultaten zien. Zowel qua bewustwording als concrete meldingen van kindermishandeling.
De KRO zond vóór de start van de campagne op 19 mei 1978 een documentaire uit op Nederland 1 met als titel "t Komt in de beste families voor". Geregisseerd door Marga Kerklaan. Dit was het startpunt van de campagne en leverde direct een grote bekendheid op voor dit uiterst delicate onderwerp. De campagne leidde sowieso tot een sterke toename van media-aandacht voor dit onderwerp.
Over de campagneperiode van mei tot november 1978 zijn er in totaal 40.000 brochures aangevraagd.
Door de vele reacties op de campagnes, is kindermishandeling veel meer een gespreksonderwerp geworden. Ook is men genuanceerder over Kindermishandeling gaan denken. Meer mensen vinden dat ouders die mishandelen op de eerste plaats geholpen en niet gestraft moeten worden. Eveneens is er een toename in de geneigdheid zelf iets te ondernemen als men met Kindermishandeling wordt geconfronteerd. Ook is de bekendheid van de bureaus vertrouwensarts iets toegenomen.
Het aantal meldingen in het campagnejaar bleken fors te zijn toegenomen t.o.v. het jaar daarvoor.
In 1975 werd 18,4% van de meldingen gedaan door familie, buren of vrienden. In 1978 is dit percentage toegenomen tot 32%, een stijging van 74%. Ook het aantal ouders en kinderen zelf die een melding deden, nam toe van 7,5% naar 13%.
In 1977 waren er 931 informatieverzoeken bij de Vereniging tegen Kindermishandeling gedaan. In 1978 is dit aantal gestegen naar 3.350, een toenemen van ruim 350%.
De campagne kon niet alleen op bijval rekenen. De briefschrijvers vonden dat de aandacht beter gericht kon worden op de slecht functionerende kinderpolitie en kinderbescherming. Ook was men bang dat er een heksenjacht ontketend werd op ouders door de oproep een melding te doen bij een bureau vertrouwensarts. Zij vonden dat ouders de weg gewezen moest worden naar hulpverlening, maar ook ouders bewust maken van het feit dat het ideale gezin niet bestaat en problemen met kinderen heel gewoon zijn.
NIPO, Wetenschappelijk onderzoek naar kennis en houding van het publiek t.o.v. kindermishandeling, 8 mei en 9/10 oktober 1978. Instituut voor Psychologisch Marktonderzoek in opdracht van Vereniging tegen Kindermishandeling, 'Evaluatie Bewustwordingscampagne over kindermishandeling', november 1978.


