Scroll
Campagne Uit1980
Waarom deze campagne
De Federatie van Instellingen voor Alcohol en Drugs (FZA) benaderde SIRE al in 1976 met het verzoek een campagne over drugs te organiseren. Hoewel FHV/BBDO al in 1978 de eerste voorstellen ontwikkelde, duurde het nog tot 1980 voor de campagne van start ging.
Achtergrond
De contouren van het drugsprobleem werden overwegend maatschappelijk bepaald. Een heroïnedode kwam wel in het nieuws, een alcoholdode niet. De angst en vooroordelen in onze samenleving tot het drugsprobleem werden mede in de hand gewerkt door de sensationele berichtgeving in verschillende media. Voor een belangrijk deel werden die angstgevoelens en vooroordelen ook in de hand gewerkt door een gebrek aan elementaire kennis over drugs. Dat gebrek aan kennis zagen we vooral bij ouders, die zich - heel begrijpelijk overigens - ongerust maakten over wat hun kinderen kon gebeuren op dit gebied. Ze moesten hun kinderen overigens wel iets kunnen vertellen over drugs. Ook al was dat moeilijk voor ze. In de campagne wilde SIRE daarom in de eerste plaats aan ouders van kinderen die doodgewone, feitelijke informatie aanbieden, waarover iedereen zou moeten beschikken die zich met dit probleem bezighield. Op die manier werd het praten over drugs misschien wat gemakkelijker en kon het gezonde verstand weer de overhand krijgen.
Onderbouwing
Aan het eind van de zestiger jaren had het drugsprobleem nog een wat speels karakter. Hasj en marihuana waren “in”. De paniekerige reacties op het gebruik van softdrugs in die tijd komen de meesten van ons achteraf gezien wel wat overdreven voor. Het heeft ook niet zo’n vaart gelopen. Als we de cijfers bekijken, dan zien we dat het gebruik van hasj en marihuana onder jonge mensen in nog geen tien jaar tijd is gedaald van +/- 20% tot +/- 3%.
Met de komst van de heroïne en de maatschappelijke reactie daarop is het ludieke element in het gebruik van druk geheel verdwenen. We hebben nu te maken met een grimmig maatschappelijk probleem.
Er zijn in Nederland naar schatting ongeveer 10.000 tot 15.000 mensen verslaafd aan heroïne.
In 1979 waren 5904 mensen in verband met drugsproblemen ingeschreven bij de gezamenlijke consultatiebureaus voor alcohol en drugs.
Ongeveer 4.000 heroïneverslaafden worden per jaar door de politie opgepakt wegens de zogenaamde onderhoudscriminaliteit: misdrijven die gepleegd worden om de eigen verslaving te kunnen onderhouden.
De helft van de heroïneverslaafden (+/- 2000) belandt in de gevangenis of het huis van bewaring.
Aan het gebruik van heroïne sterven gemiddeld 10 à 20 Nederlanders per jaar.
De aandacht van de publieke opinie voor de verslavingsproblematiek is opvallend selectief. We horen veel over heroïneverslaving, maar in vergelijking daarmee betrekkelijk weinig over verslaving aan alcohol en tabak.
De contouren van het drugsprobleem zijn overwegend maatschappelijk bepaald. Een heroïnedode komt wel in het nieuws, een alcoholdode niet.
SIRE.
Dagblad/tijdschriftadvertentie - Vragen over drugs
Algemeen Dagblad 02-01-1981
Resultaten
De campagne liet mooie resultaten zien in termen van bewustwording en attitudeverandering. Onder de aanvragers van de informatiebrochure is door de Rijksuniversiteit Groningen een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek werden niet alleen de positieve resultaten belicht, er was ook kritiek op de campagne.
125.000 mensen vroegen een brochure aan middels de coupon uit de dagbladadvertentie. In totaal zijn er 450.000 brochures verspreid. Naast de coupon in dagbladen ook via preventiemedewerkers, scholen, voorlichtingsinstanties en gezondheidsdiensten.
Bijna de helft had na de campagne meer belangstelling voor drugs. De andere helft die dat niet aangaf, had al belangstelling voor drugs of was al bekend met informatie over drugs.
Na de campagne had 33% een positievere attitude ten aanzien van praten over drugs. Ook had eenderde van de ondervraagden meer begrip voor drugsgebruikers en stond 24% toleranter tegenover drugsgebruikers.
De campagne heeft ertoe geleid dat 72% van de ondervraagden meer kennis over drugs heeft gekregen.
80% van de respondenten had wel eens van SIRE gehoord. 60% achtte SIRE een betrouwbare afzender en 42% vond SIRE deskundig als afzender.
Bijna eenderde van de ondervraagden is vaker over drugs gaan praten met met vrienden en kennissen.
De campagne was gericht op ouders met kinderen. Maar iets minder dan de helft van de aanvragers bleek slechts kinderen te hebben. Hiermee schoot de campagne zijn doel enigszins voorbij: de sociale omgeving van beginnende drugsgebruikers voorlichten. Doordat er in kranten geadverteerd werd, werd publiek bereikt dat al belangstelling had voor het onderwerp. Het onderzoek pleitte voor de inzet van bijvoorbeeld TV om de totale doelgroep te bereiken.
Rijks Universiteit van Groningen, Vakgroep Sociale Psychologie, drs. Gonda van Berkum. Onderzoek uitgevoerd in opdracht van FZA (Federatie van Instellingen van Alcohol en Drugs), 'Wat iedereen over drugs zou moeten weten', Evaluatie van de SIRE/FZA Drugscampagne, november 1985.


